In maart van dit jaar is door de Tweede Kamer de Woningwet aangenomen. Die heeft een grote invloed op het werk van corporaties. Maar ook u als woningzoekende krijgt er direct mee te maken. Corporaties moeten vanaf 1 januari 2016 verplicht minimaal 95% van de woningzoekenden die recht hebben op huurtoeslag, huisvesten in een woning onder de € 576 (voor 1 en 2 personen) of € 618 (voor 3 of meer personen). Dat heet de passendheidstoets. De Tweede Kamer heeft dit besloten om de woonlasten voor u betaalbaar te houden en te bezuinigen op de Huurtoeslag.
Wat betekent het voor u?
Deze nieuwe regel heeft vooral gevolgen als u:
- alleenstaand bent en een inkomen heeft tot €21.950, dan mag u alleen nog maar reageren op woningen met een huur tot €576 en niet op duurdere woningen
- een tweepersoonshuishouden bent en een inkomen heeft tot €29.800, dan mag u alleen nog maar reageren op woningen met een huur tot €576 en niet op duurdere woningen
- een drie of meer persoonshuishouden bent en een inkomen heeft tot €29.800, dan mag u alleen nog maar reageren op woningen met een huur tot €618 en niet op duurdere woningen.
Jongeren tot 23 jaar die in aanmerking willen komen voor huurtoeslag, mogen een woning huren tot €403. Heeft u een hoger inkomen tot €38.950 dan kunt u alleen in uitzonderingsgevallen nog reageren op kleine woningen met een huur onder €576 of grote woningen onder €618.
Gezien het feit dat woningen die u nu op Woonnet-Haaglanden vindt, deels in 2016 verhuurd worden, zult u in de meeste advertenties vanaf 1 oktober al de strengere inkomenseisen tegenkomen.
Minder woningaanbod?
De corporaties zetten zich in om zoveel mogelijk woningen onder €576 en €618 aan te bieden maar ook voldoende woningen te hebben voor mensen met een hoger inkomen. Zowel mensen met een laag als hoger inkomen kunnen door de strengere regels op minder woningen reageren en wellicht langere wachttijden krijgen. De corporaties en gemeenten volgen deze wachttijden nauwkeurig en zullen de minister indien nodig informeren als de wachttijden door deze regel te veel oplopen.
Wil je eens online testen of kopen een alternatief kan zijn, klik dan hier
- Pascal de Roo gebruik makend van bron: Woningwet -
donderdag 26 november 2015
maandag 23 november 2015
‘Starter die beperkt advies nodig heeft, is een illusie’
Rein Wispelweij: ‘Starter die beperkt advies nodig heeft, is een illusie’
Het idee van starters op de woningmarkt die alles zelf al uitgezocht hebben en bijna geen advies meer nodig hebben is een illusie, zegt Rein Wispelweij, directievoorzitter van BLG Wonen. De hypotheekverstrekker liet GfK onderzoek doen onder starters.
Van de starters geeft 38% aan dat zij hun eerste huis nooit hadden kunnen kopen zonder hulp van de financieel adviseur.
Ook zegt bijna de helft geen beeld te hebben bij het aankooptraject.
Een stappenplan zou volgens 69% helpen bij een goede voorbereiding. “Adviseurs hebben een gidsfunctie en zouden nog meer moeten inspringen op de beperkte kennis bij starters”, zegt Wispelweij.
Uit het onderzoek kwam ook naar voren dat het merendeel van de starters, 66%, spaargeld inbrengt bij financiering van de woning. Bij ruim vier op de tien gaat dat zelfs om een bedrag van boven de € 20.000.
Wispelweij: “Het is verstandig dat mensen eerst sparen voordat zij een woning kopen. Wel moet wel voldoende spaargeld overblijven als gezonde buffer. Steeds vaker is dit laatste niet het geval en zijn starters gezien de stijgende huizenprijzen gedwongen al hun spaargeld in te zetten voor een maximale financiering.
Wij vinden dat een ongezonde ontwikkeling op de woningmarkt en zien dit de komende jaren nog verder toenemen gezien de afname van de LTV-ratio.”
- Pascal de Roo gebruik makend van bron: BLG -
Het idee van starters op de woningmarkt die alles zelf al uitgezocht hebben en bijna geen advies meer nodig hebben is een illusie, zegt Rein Wispelweij, directievoorzitter van BLG Wonen. De hypotheekverstrekker liet GfK onderzoek doen onder starters.
Van de starters geeft 38% aan dat zij hun eerste huis nooit hadden kunnen kopen zonder hulp van de financieel adviseur.
Ook zegt bijna de helft geen beeld te hebben bij het aankooptraject.
Een stappenplan zou volgens 69% helpen bij een goede voorbereiding. “Adviseurs hebben een gidsfunctie en zouden nog meer moeten inspringen op de beperkte kennis bij starters”, zegt Wispelweij.
Uit het onderzoek kwam ook naar voren dat het merendeel van de starters, 66%, spaargeld inbrengt bij financiering van de woning. Bij ruim vier op de tien gaat dat zelfs om een bedrag van boven de € 20.000.
Wispelweij: “Het is verstandig dat mensen eerst sparen voordat zij een woning kopen. Wel moet wel voldoende spaargeld overblijven als gezonde buffer. Steeds vaker is dit laatste niet het geval en zijn starters gezien de stijgende huizenprijzen gedwongen al hun spaargeld in te zetten voor een maximale financiering.
Wij vinden dat een ongezonde ontwikkeling op de woningmarkt en zien dit de komende jaren nog verder toenemen gezien de afname van de LTV-ratio.”
- Pascal de Roo gebruik makend van bron: BLG -
dinsdag 10 november 2015
Ouderen kunnen langer blijven wonen in hun eigen huis
SVn introduceert Blijverslening
Blijverslening SVnMet de Blijverslening biedt SVn gemeenten een aantrekkelijk financieel instrument om eigenaren-bewoners te faciliteren bij het levensloopbestendig maken van hun woning.
Steeds meer ouderen kiezen ervoor om zolang mogelijk in hun eigen woning te blijven wonen. Zij overwegen dan om hun woning comfortabeler te maken. Dit kan door bijvoorbeeld drempels te verwijderen, een inloopdouche aan te brengen, domotica toe te passen of zelfs een slaapkamer op de begane grond aan te bouwen. Het financieren van verbouwingen blijkt in de praktijk erg moeilijk als je ouder wordt. Ook gemeenten en provincies vinden het belangrijk dat bewoners hun woning aanpassen en stimuleren steeds vaker inwoners om vroeg na te denken over ‘later’ en hun woonsituatie. De Blijverslening is door SVn ontwikkeld op verzoek van het landelijk ’Aanjaagteam Langer Zelfstandig Wonen’ en gemeenten en provincies.
Klaar voor de toekomst
Marnix Norder, voorzitter van het Aanjaagteam Langer Zelfstandig Wonen, is blij dat de Blijverslening nu uitgerold kan worden richting de gemeenten. ‘Als gemeenten ervoor kiezen een fonds te openen, kunnen er vanuit dit fonds leningen worden verstrekt aan de inwoners. Dit kan een belangrijke impuls zijn om de woning aan te passen. Ouderen beschikken vaak wel over vermogen, maar in veel gevallen zit dat vast in hun huis. De Blijverslening kan dan een mooie financieringsoplossing zijn. Het gemeentelijke fonds voor Blijversleningen is bovendien revolverend. Dit is een duurzame vorm van financieren. Rente en aflossing op de Blijverslening kunnen steeds weer opnieuw worden ingezet voor nieuwe leningaanvragen’.
Maatwerk per gemeente
Jan Willem van Beek, directeur van SVn: ‘SVn heeft de Blijverslening ontwikkeld in nauwe samenwerking met het Aanjaagteam, gemeenten, provincies en belangenorganisaties, zoals bijvoorbeeld de ANBO. De Blijverslening heeft een duidelijk kader waarbinnen gemeenten ‘op maat’ zelf de voorwaarden bepalen. Zo kunnen gemeenten de lening bijvoorbeeld beschikbaar stellen voor specifieke maatregelen, een bepaalde wijk of doelgroep. Er zijn veel gemeenten die interesse hebben getoond. In de Tweede Kamer is al een motie aangenomen om te onderzoeken hoe de rijksoverheid zou kunnen bijdragen. Ouderen die denken dat ze morgen een lening kunnen aanvragen moet ik echter teleurstellen. Eerst zal de gemeenteraad van hun gemeente moeten besluiten hiervoor een fonds bij SVn te openen.’
Consumptieve en hypothecaire variant
SVn stelt de Blijverslening zowel in een consumptieve als hypothecaire variant aan gemeenten en provincies beschikbaar. Beide varianten hebben hun eigen voorwaarden. Zo moet bijvoorbeeld voor een consumptieve lening één van de aanvragers jonger zijn dan 76 jaar. Bij een hypothecaire lening geldt geen leeftijdsgrens, tenzij de gemeente zelf een leeftijdsgrens instelt. Ook de hoogte van het leenbedrag verschilt. Bij een consumptieve lening geldt een maximum bedrag van € 10.000,-, bij een hypothecaire lening is dat maximum € 50.000, - (de gemeente kan kiezen voor een lager maximum bedrag). Het minimale leenbedrag van € 2.500, - geldt voor beide varianten.
Lening aanvragen
Als de lening beschikbaar is, dan kan de consument bij de gemeente terecht voor een aanvraagformulier. De consument moet voldoen aan de voorwaarden die de gemeente vastlegt in een regeling. Tenslotte dient de aanvrager kredietwaardig te zijn. Dit wordt door SVn getoetst.
Meer informatie
Voor consumenten: www.svn.nl/producten/blijverslening
Voor gemeenten: www.svn.nl/blijverslening
- Pascal de Roo gebruik makend van bron: SVN -
Blijverslening SVnMet de Blijverslening biedt SVn gemeenten een aantrekkelijk financieel instrument om eigenaren-bewoners te faciliteren bij het levensloopbestendig maken van hun woning.
Steeds meer ouderen kiezen ervoor om zolang mogelijk in hun eigen woning te blijven wonen. Zij overwegen dan om hun woning comfortabeler te maken. Dit kan door bijvoorbeeld drempels te verwijderen, een inloopdouche aan te brengen, domotica toe te passen of zelfs een slaapkamer op de begane grond aan te bouwen. Het financieren van verbouwingen blijkt in de praktijk erg moeilijk als je ouder wordt. Ook gemeenten en provincies vinden het belangrijk dat bewoners hun woning aanpassen en stimuleren steeds vaker inwoners om vroeg na te denken over ‘later’ en hun woonsituatie. De Blijverslening is door SVn ontwikkeld op verzoek van het landelijk ’Aanjaagteam Langer Zelfstandig Wonen’ en gemeenten en provincies.
Klaar voor de toekomst
Marnix Norder, voorzitter van het Aanjaagteam Langer Zelfstandig Wonen, is blij dat de Blijverslening nu uitgerold kan worden richting de gemeenten. ‘Als gemeenten ervoor kiezen een fonds te openen, kunnen er vanuit dit fonds leningen worden verstrekt aan de inwoners. Dit kan een belangrijke impuls zijn om de woning aan te passen. Ouderen beschikken vaak wel over vermogen, maar in veel gevallen zit dat vast in hun huis. De Blijverslening kan dan een mooie financieringsoplossing zijn. Het gemeentelijke fonds voor Blijversleningen is bovendien revolverend. Dit is een duurzame vorm van financieren. Rente en aflossing op de Blijverslening kunnen steeds weer opnieuw worden ingezet voor nieuwe leningaanvragen’.
Maatwerk per gemeente
Jan Willem van Beek, directeur van SVn: ‘SVn heeft de Blijverslening ontwikkeld in nauwe samenwerking met het Aanjaagteam, gemeenten, provincies en belangenorganisaties, zoals bijvoorbeeld de ANBO. De Blijverslening heeft een duidelijk kader waarbinnen gemeenten ‘op maat’ zelf de voorwaarden bepalen. Zo kunnen gemeenten de lening bijvoorbeeld beschikbaar stellen voor specifieke maatregelen, een bepaalde wijk of doelgroep. Er zijn veel gemeenten die interesse hebben getoond. In de Tweede Kamer is al een motie aangenomen om te onderzoeken hoe de rijksoverheid zou kunnen bijdragen. Ouderen die denken dat ze morgen een lening kunnen aanvragen moet ik echter teleurstellen. Eerst zal de gemeenteraad van hun gemeente moeten besluiten hiervoor een fonds bij SVn te openen.’
Consumptieve en hypothecaire variant
SVn stelt de Blijverslening zowel in een consumptieve als hypothecaire variant aan gemeenten en provincies beschikbaar. Beide varianten hebben hun eigen voorwaarden. Zo moet bijvoorbeeld voor een consumptieve lening één van de aanvragers jonger zijn dan 76 jaar. Bij een hypothecaire lening geldt geen leeftijdsgrens, tenzij de gemeente zelf een leeftijdsgrens instelt. Ook de hoogte van het leenbedrag verschilt. Bij een consumptieve lening geldt een maximum bedrag van € 10.000,-, bij een hypothecaire lening is dat maximum € 50.000, - (de gemeente kan kiezen voor een lager maximum bedrag). Het minimale leenbedrag van € 2.500, - geldt voor beide varianten.
Lening aanvragen
Als de lening beschikbaar is, dan kan de consument bij de gemeente terecht voor een aanvraagformulier. De consument moet voldoen aan de voorwaarden die de gemeente vastlegt in een regeling. Tenslotte dient de aanvrager kredietwaardig te zijn. Dit wordt door SVn getoetst.
Meer informatie
Voor consumenten: www.svn.nl/producten/blijverslening
Voor gemeenten: www.svn.nl/blijverslening
- Pascal de Roo gebruik makend van bron: SVN -
donderdag 5 november 2015
Negentig fiscale eindejaars tips
in 2015 hypotheekrente vooruitbetaalt, kan mogelijk profiteren van een fiscaal voordeel bij de hypotheekrenteaftrek.
En ondernemers die regelmatig met zzp’ers samenwerken, doen er verstandig aan tijdig een nieuwe modelovereenkomst af te sluiten. Hiermee voorkomen zij ongewenste gevolgen als de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) in 2016 wordt afgeschaft.
Dit zijn slechts twee van de negentig fiscale eindejaarstips die BDO Accountants & Belastingadviseurs heeft gebundeld in het digitale boekje
Boekje met tips (pdf).
Het document geeft tips voor ondernemers, dga’s en privépersonen. Of het nu gaat om de werkkostenregeling, wijzigingen in hypotheekrenteaftrek, pensioenopbouw of de gewijzigde btw-regels rond verhuur van garageboxen; met de concrete tips in de hand kan iedereen voor 1 januari 2016 nog gepaste actie ondernemen.
- Pascal de Roo gebruik makend van bron: bdo -
En ondernemers die regelmatig met zzp’ers samenwerken, doen er verstandig aan tijdig een nieuwe modelovereenkomst af te sluiten. Hiermee voorkomen zij ongewenste gevolgen als de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) in 2016 wordt afgeschaft.
Dit zijn slechts twee van de negentig fiscale eindejaarstips die BDO Accountants & Belastingadviseurs heeft gebundeld in het digitale boekje
Boekje met tips (pdf).
Het document geeft tips voor ondernemers, dga’s en privépersonen. Of het nu gaat om de werkkostenregeling, wijzigingen in hypotheekrenteaftrek, pensioenopbouw of de gewijzigde btw-regels rond verhuur van garageboxen; met de concrete tips in de hand kan iedereen voor 1 januari 2016 nog gepaste actie ondernemen.
- Pascal de Roo gebruik makend van bron: bdo -
dinsdag 3 november 2015
20 euro biljet
Op 25 november 2015 komt er een nieuw briefje van € 20 in omloop.
Dit biljet heeft betere echtheidskenmerken en is gemaakt van duurzamer papier dan het oude biljet. U krijgt het nieuwe briefje van € 20 in handen via banken of als wisselgeld in winkels.
Wat er verandert
Het nieuwe biljet heeft in de basis hetzelfde ontwerp als het oude, maar is flink opgefrist en heeft verbeterde echtheidskenmerken. De hoofdkleur is blauw en de afbeelding toont een gotische bouwstijl. Net als het oude biljet is ook het nieuwe briefje ontworpen volgens de ‘voel, kijk en kantel’ methode:
Een speciaal drukproces zorgt voor de unieke manier waarop het biljet aanvoelt.Houdt het biljet tegen het licht en u ziet een portretraampje, een portretwatermerk en een veiligheidsdraad.Kantel het biljet en zie dat de zilveren band in een doorzichtig raampje een portret van Europa laat zien. Het smaragdgroene cijfer vertoont een op en neer bewegend lichteffect.
Moeilijker vervalsen
De Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van de eurobankbiljetten. Samen zorgen ze dat vervalsen moeilijker wordt. In 2013 werd een nieuw briefje van € 5 in omloop gebracht, vorig jaar kwam daar het nieuwe tientje bij en dit jaar dus het biljet van € 20. De overige biljetten worden de komende jaren een voor een vervangen.
Geleidelijk in omloop
Het is niet mogelijk om bankbiljetten om te wisselen voor nieuwe biljetten. Oude biljetten worden geleidelijk uit omloop genomen.
Alvast het biljet bekijken? Klik hier
- Pascal de Roo gebruik makend van bron: Eurobankbiljetten
Dit biljet heeft betere echtheidskenmerken en is gemaakt van duurzamer papier dan het oude biljet. U krijgt het nieuwe briefje van € 20 in handen via banken of als wisselgeld in winkels.
Wat er verandert
Het nieuwe biljet heeft in de basis hetzelfde ontwerp als het oude, maar is flink opgefrist en heeft verbeterde echtheidskenmerken. De hoofdkleur is blauw en de afbeelding toont een gotische bouwstijl. Net als het oude biljet is ook het nieuwe briefje ontworpen volgens de ‘voel, kijk en kantel’ methode:
Een speciaal drukproces zorgt voor de unieke manier waarop het biljet aanvoelt.Houdt het biljet tegen het licht en u ziet een portretraampje, een portretwatermerk en een veiligheidsdraad.Kantel het biljet en zie dat de zilveren band in een doorzichtig raampje een portret van Europa laat zien. Het smaragdgroene cijfer vertoont een op en neer bewegend lichteffect.
Moeilijker vervalsen
De Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van de eurobankbiljetten. Samen zorgen ze dat vervalsen moeilijker wordt. In 2013 werd een nieuw briefje van € 5 in omloop gebracht, vorig jaar kwam daar het nieuwe tientje bij en dit jaar dus het biljet van € 20. De overige biljetten worden de komende jaren een voor een vervangen.
Geleidelijk in omloop
Het is niet mogelijk om bankbiljetten om te wisselen voor nieuwe biljetten. Oude biljetten worden geleidelijk uit omloop genomen.
Alvast het biljet bekijken? Klik hier
- Pascal de Roo gebruik makend van bron: Eurobankbiljetten
woensdag 28 oktober 2015
Meerderheid onbekend met eigen energielabel woning
Een meerderheid van de Nederlanders (57 procent) weet niet wat het energielabel is van hun eigen koop- of huurwoning is.
Dat blijkt uit onderzoek dat energiebedrijf Nuon liet doen.
Vooral in de vier grote steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht is de onwetendheid groot (80 procent). Het best geïnformeerd zijn huurders en woningbezitters in Gelderland, Overijssel en Flevoland, waar zes op de tien mensen weet welk label hun huis heeft. Het onderzoek werd gedaan onder ruim 2.800 mensen.
Het energielabel geeft aan hoe zuinig een huis is met gas, elektriciteit en warmte. Het is sinds 2008 verplicht als een woning een nieuwe eigenaar krijgt of een nieuwe huurder. Sinds 1 januari kan bij het ontbreken van een label een boete worden opgelegd van maximaal 405 euro.
Tip van makelaar Pascal de Roo: "Overweeg je jouw woning te verkopen of staat jouw woning te koop? Vraag dan uw definitieve label tijdig aan."
Op de site energielabel voor woningen aan.
- Pascal de Roo gebruik makend van bron: NU.nl -
maandag 26 oktober 2015
Tweeverdieners kunnen volgend jaar meer lenen
De ruimte in het budget die huishoudens in 2016 hebben voor hypotheeklasten is nagenoeg gelijk aan 2015. Dat schrijft het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting in het adviesrapport 'Financieringslastnormen 2016' dat vandaag aan de Tweede Kamer is aangeboden.
In het Nibud-advies komt naar voren dat er over de hele linie geen grote veranderingen zijn. Wel adviseert het instituut om de maximale hypotheek voor tweeverdieners te verhogen. En ziet het Nibud bij de inkomens lager dan 40.000 euro per jaar iets minder ruimte in 2016.
Beperkte wijziging leencapaciteit 2016
Voor het bepalen van de percentages voor 2016 heeft het Nibud onder andere rekening gehouden met het feit dat consumenten in 2016 een hypotheek mogen afsluiten tot maximaal 102% van de waarde van de koopwoning. Ook is de jaarlijkse beperking van de hypotheekrenteafrek met 0,5%-punt in de hoogste schrijf meegenomen: in 2016 gaat deze van 51 naar 50,5% Als het Nibud alle wijzigingen meeneemt en rekening houdt met een gemiddelde loonstijging van 1,4% blijkt dat men over het algemeen iets meer of net zo veel hypotheek kan krijgen, en de lagere inkomens net iets minder. Dit laatste heeft vooral te maken met de sterkere afbouw van toeslagen.
Tweede inkomen ruimer meetellen
Het Nibud adviseert in het rapport om vanaf 2016 bij huishoudens met twee inkomens, het tweede (laagste) inkomen voor de helft mee te nemen bij het bepalen van het financieringslastpercentage. Dit financieringslastpercentage mag toegepast worden op het totaalbedrag van beide inkomens.
Nu geldt dat het tweede inkomen voor 1/3 meegenomen mag worden. Het Nibud stelt deze verruiming voor omdat door belastingmaatregelen (bijvoorbeeld de afbouw van de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet of weinig verdienende partner) tweeverdieners netto meer overhouden dan eenverdieners en dat het verschil steeds groter wordt. Omdat de overheid van plan is de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet- of weinig verdienende partner verder af te bouwen, stelt het Nibud voor om analoog daaraan het tweede inkomen stapsgewijs meer mee te tellen bij het bepalen van het financieringslastpercentage. Als er niets aan het overheidsbeleid verandert, zou er in 2023 geen verschil meer zijn tussen de maximale hypotheek van een- en tweeverdieners.
Afwijken van de norm
De tabellen geven aan wat iemand maximaal zou kunnen lenen. Maar het Nibud adviseert om goed te kijken of er bij dit maximum nog voldoende ruimte over blijft voor alle andere noodzakelijke en gewenste uitgaven. Bij een maximale hypotheek moet er immers sterk bezuinigd worden op de niet-woonuitgaven. De tabellen houden rekening met gestandaardiseerde uitgavenpatronen en geven slechts weer wat iemand objectief gezien zou moeten kunnen betalen, gezien het inkomen. Wat de hypotheekverstrekker maximaal zou mogen uitlenen volgens de tabellen is niet altijd passend bij iemands uitgavepatroon en persoonlijke voorkeuren. Daarom is bij hypotheekverstrekking altijd maatwerk noodzakelijk.
De Ministeriële regeling hypothecair krediet biedt ook de mogelijkheid om in individuele omstandigheden meer hypotheek te verstrekken dan de financieringslastpercentages aangeven. Dit kan echter alleen als de afwijking goed gemotiveerd en onderbouwd wordt.
Al 15 jaar betaalbaarheid van de hypotheeklasten
Het Nibud berekent al meer dan 15 jaar financieringslastpercentages voor hypotheekverstrekking. Deze werden tot 2007 vooral voor Nationale Hypotheek Garantie-hypotheken gebruikt. Sinds die tijd hebben hypotheekverstrekkers ze ook voor niet-NHG-hypotheken gebruikt. Vanaf 2013 gebruikt de Rijksoverheid ze om verantwoorde hypotheekverstrekking voor te schrijven. Het uitgangspunt van de financieringslastpercentages is dat het huishoudens de hypotheeklast nu en in de toekomst kunnen dragen gelet op andere kosten voor levensonderhoud. En om dit systeem voor iedereen hanteerbaar te maken wordt er gewerkt met gemiddelde uitgavenpatronen. Ieder jaar worden deze criteria aangepast aan de veranderende inkomens- en uitgavenpatronen van huishoudens van de afgelopen jaren.
Achtergronden bij het rapport
Met het rapport Financieringslastnormen 2016 adviseert het Nibud de Rijksoverheid over de financieringslastnormen voor hypothecaire financiering voor 2016. Deze normen vormen een onderdeel van de Ministeriële regeling hypothecair krediet. Bij het tot stand komen van dit advies worden diverse partijen geconsulteerd die bij de hypotheekmarkt zijn betrokken. Zo heeft het Nibud onder andere gesproken met de Autoriteit Financiële Markten, De Nederlandsche Bank, de Nederlandse Vereniging van Banken, het Verbond van Verzekeraars, Vereniging Eigen Huis en de stichting Waarborgfonds Eigen Woningen. Het adviesrapport dat vandaag aan de Tweede Kamer is aangeboden, vindt u in de html-bijlage.
Voorbeeld toepassing vuistregel tweeverdieners per 2016
Pas het financieringslastpercentage toe dat hoort bij het hoogste inkomen vermeerderd met 1/2 van het laagste inkomen op het gezamenlijke inkomen van beide partners. Bijvoorbeeld, partner 1 verdient 35.000 euro en partner 2 verdient 20,000 euro per jaar. Hier geldt het financieringslastpercentage dat hoort bij 35.000 + 10.000 (½ * 20.000) = 45.000 euro. Bij een rente van 2,75% is dat 21,5%. Het toetsinkomen is de som van beide inkomens. In dit geval is dat 55.000 euro. De maximale bruto jaarlast is dan 21,5% x 55.000 euro: 11.825 euro. Soms wordt gedacht dat het tweede inkomen maar voor de helft wordt meegeteld bij het bepalen van het toetsinkomen (21,5% x 45.000), maar zo wordt de berekening niet gemaakt.
- Pascal de Roo gebruik makend van bron: Nibud -
In het Nibud-advies komt naar voren dat er over de hele linie geen grote veranderingen zijn. Wel adviseert het instituut om de maximale hypotheek voor tweeverdieners te verhogen. En ziet het Nibud bij de inkomens lager dan 40.000 euro per jaar iets minder ruimte in 2016.
Beperkte wijziging leencapaciteit 2016
Voor het bepalen van de percentages voor 2016 heeft het Nibud onder andere rekening gehouden met het feit dat consumenten in 2016 een hypotheek mogen afsluiten tot maximaal 102% van de waarde van de koopwoning. Ook is de jaarlijkse beperking van de hypotheekrenteafrek met 0,5%-punt in de hoogste schrijf meegenomen: in 2016 gaat deze van 51 naar 50,5% Als het Nibud alle wijzigingen meeneemt en rekening houdt met een gemiddelde loonstijging van 1,4% blijkt dat men over het algemeen iets meer of net zo veel hypotheek kan krijgen, en de lagere inkomens net iets minder. Dit laatste heeft vooral te maken met de sterkere afbouw van toeslagen.
Tweede inkomen ruimer meetellen
Het Nibud adviseert in het rapport om vanaf 2016 bij huishoudens met twee inkomens, het tweede (laagste) inkomen voor de helft mee te nemen bij het bepalen van het financieringslastpercentage. Dit financieringslastpercentage mag toegepast worden op het totaalbedrag van beide inkomens.
Nu geldt dat het tweede inkomen voor 1/3 meegenomen mag worden. Het Nibud stelt deze verruiming voor omdat door belastingmaatregelen (bijvoorbeeld de afbouw van de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet of weinig verdienende partner) tweeverdieners netto meer overhouden dan eenverdieners en dat het verschil steeds groter wordt. Omdat de overheid van plan is de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet- of weinig verdienende partner verder af te bouwen, stelt het Nibud voor om analoog daaraan het tweede inkomen stapsgewijs meer mee te tellen bij het bepalen van het financieringslastpercentage. Als er niets aan het overheidsbeleid verandert, zou er in 2023 geen verschil meer zijn tussen de maximale hypotheek van een- en tweeverdieners.
Afwijken van de norm
De tabellen geven aan wat iemand maximaal zou kunnen lenen. Maar het Nibud adviseert om goed te kijken of er bij dit maximum nog voldoende ruimte over blijft voor alle andere noodzakelijke en gewenste uitgaven. Bij een maximale hypotheek moet er immers sterk bezuinigd worden op de niet-woonuitgaven. De tabellen houden rekening met gestandaardiseerde uitgavenpatronen en geven slechts weer wat iemand objectief gezien zou moeten kunnen betalen, gezien het inkomen. Wat de hypotheekverstrekker maximaal zou mogen uitlenen volgens de tabellen is niet altijd passend bij iemands uitgavepatroon en persoonlijke voorkeuren. Daarom is bij hypotheekverstrekking altijd maatwerk noodzakelijk.
De Ministeriële regeling hypothecair krediet biedt ook de mogelijkheid om in individuele omstandigheden meer hypotheek te verstrekken dan de financieringslastpercentages aangeven. Dit kan echter alleen als de afwijking goed gemotiveerd en onderbouwd wordt.
Al 15 jaar betaalbaarheid van de hypotheeklasten
Het Nibud berekent al meer dan 15 jaar financieringslastpercentages voor hypotheekverstrekking. Deze werden tot 2007 vooral voor Nationale Hypotheek Garantie-hypotheken gebruikt. Sinds die tijd hebben hypotheekverstrekkers ze ook voor niet-NHG-hypotheken gebruikt. Vanaf 2013 gebruikt de Rijksoverheid ze om verantwoorde hypotheekverstrekking voor te schrijven. Het uitgangspunt van de financieringslastpercentages is dat het huishoudens de hypotheeklast nu en in de toekomst kunnen dragen gelet op andere kosten voor levensonderhoud. En om dit systeem voor iedereen hanteerbaar te maken wordt er gewerkt met gemiddelde uitgavenpatronen. Ieder jaar worden deze criteria aangepast aan de veranderende inkomens- en uitgavenpatronen van huishoudens van de afgelopen jaren.
Achtergronden bij het rapport
Met het rapport Financieringslastnormen 2016 adviseert het Nibud de Rijksoverheid over de financieringslastnormen voor hypothecaire financiering voor 2016. Deze normen vormen een onderdeel van de Ministeriële regeling hypothecair krediet. Bij het tot stand komen van dit advies worden diverse partijen geconsulteerd die bij de hypotheekmarkt zijn betrokken. Zo heeft het Nibud onder andere gesproken met de Autoriteit Financiële Markten, De Nederlandsche Bank, de Nederlandse Vereniging van Banken, het Verbond van Verzekeraars, Vereniging Eigen Huis en de stichting Waarborgfonds Eigen Woningen. Het adviesrapport dat vandaag aan de Tweede Kamer is aangeboden, vindt u in de html-bijlage.
Voorbeeld toepassing vuistregel tweeverdieners per 2016
Pas het financieringslastpercentage toe dat hoort bij het hoogste inkomen vermeerderd met 1/2 van het laagste inkomen op het gezamenlijke inkomen van beide partners. Bijvoorbeeld, partner 1 verdient 35.000 euro en partner 2 verdient 20,000 euro per jaar. Hier geldt het financieringslastpercentage dat hoort bij 35.000 + 10.000 (½ * 20.000) = 45.000 euro. Bij een rente van 2,75% is dat 21,5%. Het toetsinkomen is de som van beide inkomens. In dit geval is dat 55.000 euro. De maximale bruto jaarlast is dan 21,5% x 55.000 euro: 11.825 euro. Soms wordt gedacht dat het tweede inkomen maar voor de helft wordt meegeteld bij het bepalen van het toetsinkomen (21,5% x 45.000), maar zo wordt de berekening niet gemaakt.
- Pascal de Roo gebruik makend van bron: Nibud -
Abonneren op:
Posts (Atom)